|
Het Eerste Zelfportret .....en dus zullen de meest invloedrijke kunstenaars van de volgende eeuw onzichtbaar zijn. Ze zullen zich manifesteren als kunstmatig virus of filter waarmee de onacceptabele oneindigheid van het heelal en onophoudelijke stroom van informatie geordend kunnen worden. In deze toekomst zal de kunstenaar de functie krijgen van derde hersenhelft. Een noodzakelijke intermediair tussen de persoonlijke rede en intuïtie (de klassieke linker- en rechter hersenhelft) en de buitenwereld waarin de chaos zich als een hongerige Moloch manifesteerd." 1) ![]() zelfportret van Peter Parler de Jonge, 1386 HOOFDSTUK XII Het Eerste Zelfportret Het late zonlicht van een warme lentedag in 1386 streelde het marmerpoeder dat uitwaaierde in de koele lucht van de grote Dom in Praag, en het overzichtelijke heelal van de vroege middeleeuwen ontvouwde zich tot de complexe oneindigheid die Sir Isaac Newton, 300 jaar later, nog niet durfde te accepteren. 2) De beeldhouwer Peter Parler de Jonge legde de laatste hand aan een reeks portretten die hij in opdracht van het stadsbestuur had gemaakt. Hij deed een stap terug, keek naar het resultaat van het polijsten en lachte naar zijn zoontje dat stil naar hem zat te kijken. "Let op," zei de beeldhouwer. Hij ging in het licht staan, hield zijn handen omhoog en sloeg ze hard tegen elkaar. De felle klap weergalmde in de kerk en de kleine jongen bedekte te laat zijn oren. Het witte poeder stoof tussen de handen van zijn vader vandaan en een nieuwe mikrokosmos van stofdeeltjes explodeerde in het zonlicht. "Zo heeft God het heelal gemaakt, met één klap van Zijn handen," de beeldhouwer wees met zijn sterke eeltige vinger (precies op de manier zoals een Florentijnse schilder 130 jaar later de Eewige leven zou laten schenken aan Zijn uit modder geschapen evenbeeld) naar de duizenden lichtpuntjes, "en één van die lichtpuntjes is de Aarde, maar alleen God zelf weet welke het is, en ook waarom." Vader en zoon keken beiden een moment naar de sierlijk opwaarts zwevende, de wet van de grote Brit negerende, stofdeeltjes. "Is God een beeldhouwer?" vroeg het zoontje. Parler lachte en keek om zich heen om te zien of er geen priester in de buurt was die meeluisterde. "In zeker zin wel," zei hij zacht. "In zekere zin is God een beeldhouwer en de beeldhouwer - maar dit is een geheim dat je tegen niemand mag vertellen - is een God." De mond van het jongentje viel open. Hij keek naar het dwarrelende heelal een paar meter van hem vandaan en toen naar de grote sterke handen van zijn vader die in de loop van de dag grijze haren had gekregen van het marmerpoeder. Het kostte hem weinig voorstellingvermogen om te geloven dat God er zo uitzag. De beeldhouwer hoorde voetstappen naderen en boog zich naar het kind. "Maar dit is ons geheim, je mag er met niemand over praten, begrijp je wel?" Het jongentje knikte plechtig; hoe kon hij een belofte aan God zelf niet nakomen? De God-beeldhouwer groette de priester die langsliep en zette zich weer aan het werk. Geen enkele kunstenaar voor hem had ooit een zelfportret in steen nagelaten. Hij keek aandachtig in zijn eigen versteende ogen en vroeg zich af of zijn zoon, als hij net zo oud zou zijn als hij nu, hem nog in het portret zou herkennen. "En zal ik mijn zoon, als hij een grijsaard is, nog door deze stenen ogen kunnen zien?" De gedachte aan die toekomst die gecentreerd was rondom zijn eigen dood joeg hem angst aan en hij sloeg snel een kruis. Toen aan het eind van de middag het licht zodanig was afgenomen dat hij niet verder kon werken ging hij naast zijn zoon op de vloer van de Dom zitten en keek naar de schemerige rij portretten. Buiten de Dom opende iemand een raam en het laatste licht van de zon dat daarin weerkaatste viel door het kerkraam naar binnen op het portret. De neus glom zacht en toen de beeldhouwer door zijn oogharen keek leek het stenen gezicht heel even te ademen. 4) NOTEN_______________________________________________________ 1) Uit: "Nobody's Nose" van Sally Bullington (Thames & Hudson, 1996). In haar uitvoerige essay betoogt Bullington (Southhampton, 1952) dat de positie van de kunstenaar na een individualistische evolutie van pakweg 600 jaar op het punt staat drastisch te veranderen. Ik ontmoette haar in 1996 tijdens een culturele soiree in Barcelona en sprak de volgende dag met haar af in haar appartement nabij Port Olympic. Ondanks haar inmiddels twintigjarige verblijf in de Verenigde Staten spreekt Bullington nog steeds bijna aristocratisch Engels. "Terwijl ik uit een vrij eenvoudige lower-middleclass gezin kom," bekent ze lachend; "But in the midst of savagery one treasures ones heritage, even if it's a borrowed heritage." Ze is klein van postuur, maar ze straalt kracht uit. Donkere, scherpzinnige ogen, en een iets te grote maar zeer fraai gevormde neus. Ik maak haar een compliment over haar reukoorgaan en grap: "That sure isn't anybody's nose." "Nobody's Nose" -een titel met een mooie, fonetische, dubbele bodem- begint met eenverhandeling over alle afgebroken neuzen van portretten die er in de loop van de kunstgeschiedenis zijn gemaakt. "Het meest kwetsbare deel van een portret," stelt Bullingham. Ook Parlers' neus noemt ze in haar opsomming. "Parler is een zeer boeiende en mysterieuze persoon," zegt Bullingham dromerig. "Een vrij middelmatige kunstenaar, die desondanks voorgoed de positie van alle kunstenaars na hem veranderde. De perceptie die die man moet hebben gehad is onvoorstelbaar!" "Nobody's Nose" is een intellectuele tour de force. Bullington balt 600 jaar kunstgeschiedenis samen en perst er een toekomstvisie uit. "De rol van de individuele, herkenbare kunstenaar is zo goed als uitgespeeld. "There will be no more Vasari's". We zijn als mieren geworden. We werken collectief en al onze handelingen zijn via tientallen, zichtbare- en onzichtbare lijnen met elkaar verbonden. Kunstenaars kunnen zich, indien ze willen dat hun werk ook in in de 21-ste eeuw zeggingskracht behoudt, niet aan die realiteit onttrekken." 2) Het kerkelijke dogma van het statische, want na de schepping eenmaal perfecte, heelal was in strijd met Newtons' Wet (K=f.m1m2/r2) van de zwaartekracht. Om zowel zijn eigen Wet als de kerk trouw te blijven (en daarmee onder een kerkelijke ban uit te komen) beweerde Sir Isaac dat het heelal weliswaar statisch was, maar dat het niet onder invloed van zijn Wet reeds duizenden jaren geleden was geïmplodeerd omdat het, volgens de diplomatiek redenerende wetenschapper, oneindig was waardoor de Wet geen middelpunt zou kunnen aanwijzen in welke richting het diende in te storten. De Wet van de zwaartekracht kon zich in het statische heelal niet laten gelden omdat zij gevangen zat in een keurslijf van oneindigheid. 3) In de eeuwen die volgden verspreidde het marmerstof waaruit het heelal van Parler was opgebouwd zich over de aarde. Een zeer voorlopige lijst van gelokaliseerde stofdeeltjes: Drie delen in de tweede trap van de Toren van Babel van Bruegel (Rotterdam versie), in een rood steentje onder de processie. Vijf (volgens sommigen zes-) delen in de jurk van het Poolse Bruidje. Drie delen kwamen in 1824 terecht in de rode onderlaag van de IJszee van Caspar David Friedrich. Zes delen verzamelden onder het linkeroog van Picasso's portret van Dora Maar nadat drukker Roger Lacourière het raam van de drukkerij opende. Marmerstof van dezelfde neus ontvlamde omstreeks 1500 in het vagevuur op het rechterpaneel van de Tuin der Lusten van Jeroen Bosch. Zes deeltjes zweefden, temidden van gewoon stof, in de zomer van 1978 door het projectielicht van "Les Charmes Discrètes de la Bourgousie", tijdens een art-house vertoning van deze film in het filmhuis "Kane" in Denver (USA). Een paar jaar eerder landden enkele van hun soortgenoten in een euforische stemming op Newmans's "Broken Obelisk" te Houston (Texas), de staalconstructie per abuis voor marmer houdend. Een paar eeuwen eerder struikelde de tekenpen van Leonardo over een klontering van poeder terwijl hij een studie van een embryo in foetushouding maakte. Het poeder, neergedaald in het titaanwit op Zurbaráns palet inspireerde de asceet-schilder tot het bijna volledig weglaten van de achtergrond en nog slechts, zoals hij het zelf noemde "met licht te schilderen". Een later weer uiteengeslagen klontering van de oorspronkelijke marmerstofjes heeft een kras getrokken in de korte film "De Ontluistering" van de onbekende Argentijnse regisseur Ferdinand de la Peña. Een onbekend aantal delen tenslotte irriteerden het linkeroog van Graham Greene tijdens zijn verblijf in Liberia (1942) en zeer toevallig wederom in 1958 tijdens een verblijf op Capri. 4 Bron basistekst en noten: Dick Tuinder, 1998. back<<< |
copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries