De tweede 100-jarige oorlog



1942, Ivangorod, Oekraïne.

-Het slotaccoord-
Het is zomer 1998. Een merkwaardige zomer waarin de wereld geteisterd wordt door apocalyptische verschijnselen. Bossen branden, delta's overstromen, steden worden verpletterd onder een vloedgolf van modder of voetbalhooligans, boeren klagen, badgasten dienen claims in bij hun zonverzekeraars, hier en daar wordt een atoombom getest, het heelal blijkt te wemelen van bacteriologisch leven, de pest is massaal terug en treft dit keer de varkens, virussen worden dankzij een prijzenoorlog in de luchtvaart sneller en efficiënter verspreid dan ooit , het volk heeft zijn geloof in de politiek verloren, ergens in het heelal is met duizelingwekkende snelheid een komeet naar ons op weg "on collision course", Rusland ligt op zijn gat, China dreigt te ontwaken, Afrika lijkt voorgoed verloren, Azië een valse droom en Zuid-Amerika rommelt als altijd zonder hoop op structurele verbeteringen.
De wereld is oorlogsmoe, maar snakt tegelijkertijd naar een simpel en verdedigbaar conflict. De wapenarsenalen liggen tjokvol oorlogstuig dat volgens een gouden wet onvermijdelijk ooit eens gebruikt zal gaan worden en hoewel de geschiedenis ons anders heeft geleerd is ook nu de stemming dat uiteindelijk de verstandigsten onder ons het beheer over dat arsenaal zullen krijgen en dat de fanatici uiteindelijk wel met argumenten tot bezinning zullen worden gebracht.

En langzaam valt het doek over de twintigste eeuw. Het publiek verwacht niet anders dan dat hierna het zaallicht weer langzaam aan zal gaan waarna allen huiswaarts kunnen keren. Het was al met al een adembenemende voorstelling die op het eind zelfs iets te lang leek te duren. Het publiek ziet uit naar het slotaccoord, de laatste monoloog, een laatste samenzang waarna de benen eindelijk weer eens gestrekt kunnen worden na deze toch wel heel lange zit. Hier en daar dwalen de gedachten al reeds af naar de frisse buitenlucht. Iemand gaapt als weer een nieuw personage het podium op komt lopen om zich met de verhaallijn te bemoeien, een ander schuift ongedudig in zijn stoel heen en weer. Hier en daar wordt op het horloge gekeken. Het publiek is er niet meer helemaal bij en droomt van een nieuw begin. De acteurs lijken bij vlagen hun tekst kwijt en slaan zich er improviserend doorheen. Regie is niet meer te ontdekken. De concentratie verslapt.
Nog voordat het doek gevallen is willen de toeschouwers gaan klappen voor de twintigste eeuw. Maar het eind van de voorstelling is nog niet in zicht. Er bestaat zelfs een gerede kans dat het stuk zal uitlopen en dat de toeschouwers de nacht in de schouwburg door zullen moeten brengen.

-Wat er aan vooraf ging...-
In later tijden zal de twintigste eeuw herinnert worden als een periode van grote experimenten. Massaal in omvang en bijna allen rampzalig in uitvoering. De apotheose van een langere periode waarin de westerse mens, en zij die door deze mens beïnvloed werden, zich probeerde te ontworstelen aan de verlammende zwaartekracht van de werkelijkheid. Het meest letterlijke hoogtepunt in deze opwaartse beweging waren de maanlandingen in de jaren zestig en zeventig. De hele wereld keek gebroederlijk toe hoe tot voor kort onmogelijk geachte grenzen schijnbaar moeiteloos en laconiek werden overschreden. Met een kwinkslag hier en een partijtje Amerikaans football op de maan daar.
Maar toen bleek dat de eerste stap over die grens de eerste in een slechts zeer korte reeks was geweest volgde op de euforie de onvermijdelijke deceptie. Staand op het droge genadeloos door de zon beschenen maanoppervlak, met vrij zicht op de blauwe planeet, maar vooral ook op de onmetelijkheid waarin zij zweefde, openbaarde zich onverbiddelijk de bijna onmogelijkheid, maar vooral ook zinloosheid van een volgende stap. Meer dan ooit werd de mens zich bewust een gevange te zijn op zij eigen planeet. Ontsnappen was een droom, redding was alleen mogelijk van buitenaf en vanwege de vooralsnog onbekende vorm evenzeer te vrezen als te wensen. Toen de Hubble telescoop eindelijk was scherp gesteld bleek een nog grotere leegte dan was gevreesd ons te omringen. De in aantal toenemende ruimtesondes, spiegel- en radiotelescopen gingen steeds meer lijken op de breedgeschouderde portiers van een nachtclub waar nooit een bezoeker komt.
Dat was nieuws uit een latere periode, maar toen de laatste maancapsule gierend en brandend de dampkring binnenkwam was de eeuw van de grote experimenten tot een einde gekomen, precies bijna honderd jaar na de uitvinding die voor een belangrijk deel verantwoordelijk was geweest voor de vorm die de eeuw gekregen had. Hier en daar waren er nog wat stuiptrekkingen, maar in grote lijnen werd de wereld weer de gezellige onberekenbare verzameling van toevallige passanten naar wiens motieven het altijd gissen is geweest. Met dit verschil dat ze, met dank aan de eeuw van de grote experimenten, de middelen bezaten om zichzelf vijfhonderd keer op te blazen en geen ideologie meer voor handen om die zelfvernietiging te beargumenteren of, belangrijker nog, voorlopig uit te stellen.

"Mr. Bell, do you understand what I say?"
-Mr. watson, come here, I want to see you!"
(Begin van het allereerste telefoongesprek
tussen Bell en Watson op 10 maart 1876.)



- Terug naar moeder Aarde -
Geen van de aanwezigen kon op die middag in Boston vermoeden dat het eerste succesvolle telefoongesprek tussen Graham Bell en zijn assistent Thomas Watson een periode van ongekende rampspoed zou inluiden. Voor het eerst in de geschiedenis diende de mogelijkheid zich aan om over voorheen onmogelijke afstanden op hetzelfde moment met een ander mens te communiceren. Nog voor de negentiende eeuw ten einde was zongen miljoenen kilometers telefoondraad in verlaten velden het lied van de vooruitgang en brachten de ideeënuitwisseling in een stroomversnelling. Een wereld van ongekende mogelijkheden begon zich af te tekenen voor de ogen van een mensheid die gedurende 6000 jaar gedocumenteerde beschaving in grote lijnen steeds naar dezelfde wereld had gekeken. Die wereld kreeg nu snel een andere vorm en omvang. Het werd mogelijk om vanaf grote afstand en zonder tijdverlies berichten, ideeën en vooral bevelen over te brengen.
Voor de industrie, oorlogvoering, nieuwsgaring, de algemene ontwikkeling van ideeën en de structuur van staten had dit verstrekkende gevolgen.

Tot voor dat eerste telefoongesprek ontbrak het ideologen aan middelen om hun ideologie op te leggen aan grote groepen mensen en als dat al lukte dan was het ze onmogelijk om de naleving van de ideologie te controleren. Indien er door een vrijdenker de structuur van een ideale samenleving werd geformuleerd dan was dit in de vorm van een sprookje of utopie. Alsof men op voorhand de onmogelijkheid van deze idealistische samenleving wenste te benadrukken. Een ideoloog in de tijd van voor de langeafstands telefoonverbindingen was als een wizzkid in het stenen tijdperk. Bij voorbaat niet succesvol, een last voor zichzelf en zijn familie en dus een zeldzame veschijning.
In de 6000 jaar die aan dat eerste telefoongesprek vooraf gingen werd de wereld geregeerd door farao's, sultans, ceasars, maharadja's, keizers en koningen zonder dat een van hen ooit ook maar op de aanhef van een ideologie kon worden betrapt. De oorlogen die werden gevoerd gingen om behoud of uitbreiding van eigen gebied. Om het veroveren van nieuwe wingewesten. Het enige ideaal was de tegenstander, die op zijn beurt onvermoeibaar voor hetzelfde strijdde, zo ver mogelijk van de ambtswoning van de regerende heerser te houden. De verwezenlijking van de ideale samenleving beperkte zich tot een minutieus nagebouwde boerenstulp in de tuinen van Versailles waar een Franse koning op lang aandringen van een hof-filosoof wel eens een uurtje wilde mijmeren over de verworvenheden van het simpele boerenleven.

Dit alles veranderde snel na de uitvinding van middelen tot communicatie over lange afstand met individuen en massa's. Na duizenden jaren lang achter de feiten te hebben aangelopen beschikte de ideoloog eindelijk over de middelen om zijn gedachten aan de massa kenbaar te maken en haar zijn wil op te leggen. Nieuwe imperia, gebaseerd op- of zich snel aanpassend aan ideologieën die voorheen onuitvoerbaar leken ontstonden. De Verenigde Staten van Amerika werden aaneengesmeed en kregen voor het eerst in hun bestaan imperialistische neigingen, wereldrijken als Engeland en Nederland zagen opeens mogelijkheden om hun overzeese gebiedsdelen, die voorheen niet meer waren dan een uiteengevallen kralenketting van handelsposten, aaneen te smeden tot bestuurbare koloniën, en dankzij de telefonie konden de Sovjets niet alleen de macht grijpen, maar haar ook behouden.
In zijn indrukwekkende boek Imperium beschrijft Ryszard Kapuscinski hoe de leiders van het Sovjet Imperium tot op het laatst toe vasthielden aan het regeren via telefoon. Hij schets het prachtige beeld van een fatalistische Brezjnev, alleen in zijn kantoor hoog in het Kremlin, wanneer hij merkt dat de telefoon al twee dagen niet gerinkeld heeft en zich vervolgens in stilte voorbereid op zijn dood of een bureaucratische coup. In het oude Sovjet rijk meette men zijn macht aan de regelmaat waarmee ondergeschikten belden om instructies.

Het grote verschil tussen de oude machthebbers en de nieuwe ideologen was dat de eersten de omvang van hun gebiedsuitbreiding mede lieten bepalen door natuurlijke grenzen. Een rivier, een zee, een gebergte, alles dat meehielp om de gelijkelijk landzieke tegenstrever in zijn doel te frustreren kwam daarvoor in aanmerking. Een wijze stellingname waartoe ook Aurelianus besloot die, nadat hij in 270 de Gothen vernietigend had verslagen, toch het gebied ten noorden van de Donau voorgoed opgaf omdat verdediging ervan lastig en een voortdurende reden tot nieuwe conflicten zou zijn. Hij kreeg gelijk want de volgende tweehonderd jaar bleef het betrekkelijk rustig langs de noordgrens van het imperium dat zich had teruggetrokken achter Rijn en Donau. Sinds die tijd hebben natuurlijke grenzen de landhonger bepaald. Een mogelijke overschrijding van die grenzen, de Pyreneën door de Arabieren of de Balkan door de Turken werd niet zonder reden als een grote bedreiging voor de stabiliteit gezien en was altijd reden tot massale en georganiseerde actie.
In de eeuw van de grote experimenten verloren de natuurlijke grenzen aan belang. Ideologieën konden moeiteloos hoorbaar worden gemaakt over bergen, oceanen en stroomversnellingen heen en dus werd het noodzakelijk de eigen ideologie tot over de natuurlijke grenzen heen te verdedigen.
De eerste Wereldoorlog moet beschouwd worden als een laatste stuiptrekking van de oude regimes die nog een keer alle wapens uit de kast trokken om elkaar vervolgens in een loopgraven oorlog uit te putten en, voorlopig, roemloos ten onder te gaan. Ook hier speelt de telefonie een bepalende rol, want men dient zich af te vragen wat er gebeurd was als de moordaanslag op de kroonprins van Oostenrijk- Hongarije niet met zo'n enorme snelheid wereldnieuws was geworden. Wellicht waren de oude loyaliteits-afspraken van de verschillende partijen eenvoudig niet bestand tegen de snelheid van de nieuwe wereld.

Toen in 1918 de vrede van Versailles werd getekend vierden velen het uitbreken van een nieuwe tijd. Een tijd waarin de verschillende volkeren in broederlijk overleg de wereld blijvend zouden gaan vrijwaren van nog eens zo'n groot conflict. Maar net als aan het eind van de 20-ste eeuw staat het gedroomde heden in schril contrast met de te verwachten nabije toekomst. De vrede van Versailles luidde niet alleen het eind in van de eerste wereldoorlog maar, veel gewichtiger, het begin van een nieuwe. De tweede Honderdjarige oorlog. Een oorlog die, en iedereen die een beetje kan rekenen zal zich hiervan snel weten te overtuigen, weliswaar op dit moment in zijn nadagen is, maar nog altijd in volle hevigheid woedt.
Een tijdelijk staakt het vuren in een bepaald gebied wordt gemakkelijk verward met wereldvrede. Als het wapengekletter in de eigen tuin is verstomd geloofd men maar al te graag dat het ook elders koek en ei is. Maar niets is natuurlijk minder waar. Het is belangrijk te begrijpen dat er in Duitsland, tijdens de eerste honderdjarige oorlog hele generaties opgroeiden in de stellige overtuiging in vredestijd te leven. En al die tijd woedde de oorlog voort.

De verschillende ideologieën die hun stempel op de twintigste eeuw zouden gaan drukken hadden vanaf het begin een aantal dingen met elkaar gemeen. Allereerst hun gedeelde intolerantie ten opzichte van afwijkende ideologieën. Het moest de gelovigen duidelijk worden gemaakt dat het brood uit eigen bakkerij het enig eetbare was. De tweede overeenkomst betreft de massaliteit van de hervormingen die werden nagestreefd. Waar romantische utopisten zich veelal tevreden stelden met het geluksstreven van de enkeling spraken de nieuwe ideologieën altijd onverkort over het geluk van massa's. De massa moest gelukkig worden en verheven en opgevoed. Het onderwijs kwam in dienst van de ideologen en beperkte zich niet alleen tot schooltijd, maar werd ook gegeven op de werkvloer en tijdens zulke onschuldige tijdsbestedingen als sport en spel. Alsof iedere ideoloog voor zich aanvoelde dat dit het moment was om toe te slaan, om voor eens en altijd orde op zaken te stellen. Het oude regime had zich doodgevochten en geblameerd, er was ruimte en er stonden ongekende middelen ter beschikking. Men streefde aan alle zijden van de verschillende ideologieën naar een gelijkschakeling van gedachten. Verschillende idealisten ontwikkelden, autonoom of in dienst van een van de ideologieën, nieuwe wereldtalen. Het ideaal werd dat alle mensen dezelfde kunstmatige gedachte zouden uitspreken in dezelfde kunstmatige taal.
Het ideologisch streven beperkte zich niet tot een volk, maar ging over grenzen heen. Het streven naar gebiedsuitbreiding was eindeloos. Zozeer zelfs dat ook onbewoonbare gebieden en uiteindelijk de kille ruimte en die dorre satelliet de maan, dienden te worden opgeëist voor het communisme, het fascisme, het kapitalisme, het Maoïsme of voor de met veel misverstanden omkleedde zogenaamde Vrije Wereld. De ideologieën waren grenzeloos en dulden geen tegenspraak of witte plekken op de ideologische landkaart. Dit was de nieuwe eindtijd, en dit was hem echt. Nu kwam het er op aan. Voorwaarts! Wie achterom kijkt is te laat. En achterom werd er nauwelijks gekeken in de eeuw van de grote experimenten. Men deed aan eindeloze zelfreflectie en spelde het Nu met een hoofdletter terwijl de voorafgaande geschiedenis meewarig werd beschouwd als een wat lang uitgesponnen aanloop naar deze, de onvermijdelijke eindtijd. Na een wonderlijk lange en constante periode van 2500 jaar werden in zeer korte tijd de banden met de oude wereld verbroken. De geschiedenis werd geherdefinieerd als een voorspel voor het heden. De kennis van klassieke talen verdween. En esthetische vervoering beleefde men bij de aanschouwing van een tractor, een flesje frisdrank of nauw aaneengesloten marcherende rijen.

En ondertussen rinkelden de telefoons en bevolen de internering van andersdenkenden, communisten, fascisten, a-politieken, Joden, Koerden, homoseksuelen, Vietnamezen, Afghanen, Koreanen. Ethiopiers, Chinezen, Duitsers, Japanners, Fransen, vrijheidsstrijders voor uiteenlopende doelen, de lijst kan veel langer worden dan u zin heeft te lezen, samengevat: de ene helft van de wereld zette de ander in het gevang. Het rinkelen van de telefoon, tot voor dat moment nog het triomfantelijke geluid van de vooruitgang en de aankondiging van een nieuwe en betere wereld werd in vele huizen iets om met vrees naar uit te zien.
Nu de eeuw ten einde loopt en de ideologieën nog slechts als versleten edities in tweedehands boekenwinkels worden aangetroffen eisen verschillende zijden de overwinning op. Vanuit Washington bereikt ons het bericht dat het kapitalisme en de vrije wereld hebben gewonnen, elders steekt hernieuwd nationalisme de vuist in de lucht, het Vaticaan kondigt, als geen ander gevoelig voor het millennium een nieuw religieus reveil aan, waarin ze gelijk hebben met dit verschil dat het hooglied wordt voorgedragen vanaf een minaret en niet vanachter het altaar, en een aantal sociaal democratische landen stelt zichzelf ten voorbeeld.
Maar hoe kan er een overwinnaar zijn als de victorie door zoveel partijen wordt opgeeist?

En ondertussen woedt de tweede honderdjarige oorlog door.
Niet meer getemd door een andere ideologie dan die van overleving en snel gewin plunderen honderden warlords de schatkamers van de gevallen imperia. Volksverhuizingen, tien keer groter in omvang dan de middeleeuwse voorgangers drukken zwaar op de samenhang van maatschappijen. Onverwachte en onvoorspelbare heersers duiken op, tot de tanden bewapend en gesteund door een niet begrepen massa. Het volk ziet alles via het medium waarmee ze een tiental jaren geleden nog ideologisch in de pas werden gehouden en begrijpt er niets meer van. Terwijl duizenden voormalige broeders met een kapmes worden afgemaakt stort het verwarde thuisfront geld ter redding van een zeehondencrèche. De beer is los. Ongetemd en ideologisch op een dwaalspoor. Het brandt in de centra van de macht. Twee huizenblokken verwijdert van het Witte Huis regeert de onderwereld. Twee stappen buiten het Rode Plein begeeft me zich in mafiagebied. De gelukkigen die in tot op heden ongeschonden gebied wonen trekken zich op hun woonerf terug en proberen als hun verre voorouders in een walm van kruidendampen al mediterend contact te maken met Moeder Aarde en hopen er met behulp van een flinke dosis "positive thinking" het beste van.
"Mr. watson, come here, I want to see you!"
Het is zomer 1998. Een merkwaardige zomer waarin de wereld geteisterd wordt door apocalyptische verschijnselen. Rome is gevallen, maar het is volstrekt onduidelijk waar en wanneer het nieuwe Byzantium gesticht zal gaan worden.

Epiloog I
Kunst is altijd een weerspiegeling geweest van het doen en denken van machthebbers. Zonder uitzondering. De grottekeningen van Lasceaux werden gemaakt op bevel van geestelijk leiders en die lijn zet zich voort langs alle grote beschavingen. Een kunstuiting was, en is, altijd propaganda voor de machtigen van zijn eigen tijd.
Dat was in de twintigste eeuw niet anders. En omdat de machthebbers van die eeuw verschillende ideologieën aanhingen ging de kunst dat ook doen. En gedienstig aan de nieuwe machthebbers beschouwde ook de kunst van de twintigste eeuw haar tijd als de eindtijd. Ook zij oefende zich in tomeloze zelfreflectie terwijl de banden met het verleden werden doorgeknipt. De ene groep muitende ideologen werd geënterd door een volgende bende theoretici, die op haar beurt al snel weer werd gekielhaald door een nieuwe groep met exacte ideeën over vorm en inhoud van kunst, en het schip van de kunst voer stuurloos op een zee van elkaar snel afwisselende stromingen. Tot in het absurde werd de oude kunst genegeerd en bij voorkeur verknipt tentoongesteld.
Zelden is er in de geschiedenis zo'n oogverblindende zelfingenomenheid en starheid getoond als bij de toonzettende kunstenaars in de eeuw van de grote experimenten. En denken dat halfblinde staatskunst alleen ontstond in die gebieden die onder invloed stonden van de meest rigide ideologieën is een naïeve misvatting. Ook in de met veel misverstanden omgeven zogenaamde vrije wereld werd exact die kunst gemaakt die door de machthebbers gewenst werd.
De kunstenaars valt als kinderen van hun tijd weinig te verwijten. Hun rol beperkt zich immers altijd tot het zo nauwkeurig mogelijk in beeld brengen van hun eigen tijd. En dat hebben ze uitstekend gedaan. Trouw tot in de dood zelfs, want toen de ideologische machinerie eind jaren zeventig dreigde vast te lopen verklaarde ook de kunst zichzelf op bepaalde gebieden dood.
Niets was natuurlijk minder waar. Kunst gaat nooit dood. Houdt nooit op te bestaan. Het zijn de machthebbers, de aandragers van het onderwerp en de spelregels die een tijdelijke inzinking kunnen hebben, maar de vertalers en vormgevers zullen altijd blijven bestaan.
In het kielzog van haar opdrachtgevers stelde de kunst zich de afgelopen eeuw het doel zich los te zingen van de werkelijkheid. Kunst werd niet meer voor individuen gemaakt, maar uitsluitend nog voor massa's. Stromingen binnen de kunst waren niet langer landgebonden, maar werden geformuleerd binnen een internationaal perspectief en trouw haar opdrachtgevers imiterend besloten individuele kunstenaars zich ook in groepen te organiseren. Zich allen zeer bewust van de eindtijd, van het cruciale moment in de geschiedenis waarin men dacht te leven. Het "laatste schilderij" werd gemaakt, het laatste gedicht op rijm en volgens vaste schema's. Een messianistische opwinding maakte zich meester van de verschillende kunstgroeperingen waardoor men soms zijn eigen positie met die van de machthebbers verwarde. Die verwarring was mogelijk en werd toegestaan, het hoorde er allemaal bij, het diende allemaal ter illustratie van de eindtijd. Toen de ideologen zich uiteindelijk in dogma's hadden vastgepraat en er uiteindelijk niets anders meer te horen was dan rituele polemiek werd dat in de verschillende musea verbeeld door het ophangen van witte doeken en onbeschreven vellen papier. De nul-ideologie had de nul-kunst als haar protégé gevonden.

Nu de tweede honderdjarige oorlog haar laatste kwart-eeuw ingaat wordt de kaalslag die is aangericht steeds duidelijker zichtbaar. Een enorm gat is er geslagen tussen het heden en de duizenden jaren die daaraan vooraf gingen. En nu de machthebbers niet meer weten waar zij eigenlijk voor staan of naar moeten streven en zich nog slechts uiten in sferische taal binnen een stramien van streng gecontroleerde public relations zien we bij de kunstenaars van deze tijd ook een soortgelijke opperste verwarring. Dat dit wordt toegejuicht door de huidige kunstcritici is niet verwonderlijk, het is een ijzeren wet. Men zal zijn eigen tijd niet afvallen, tenzij die tijd bijna voorbij is. En het is nog niet voorbij, we zitten er nog midden in, nog minstens 25 jaar.
"Anything goes", mits het er maar goed uitziet en "communiceert".
Dat geldt voor zowel machthebbers als hun kunstenaarsvasallen. Vislucht in een blikje, krijsende naakte lichamen op een met zwarte blokken gevuld toneel, levensliederen en slappe jazz - het maakt niet meer uit. De bewegingen van de hedendaagse kunst doen sterk denken aan een blindeman die wel tot honderd keer is getold en nauwelijks meer op zijn benen kan staan. Een passend antwoord is voorlopig niet te vinden. Zoals met alle infecties geldt ook hier dat uitzieken de enige oplossing is. En ondertussen genieten van wat er allemaal te zien valt. Natuurlijk doet de tijd zijn ontnuchterende werk en is bijvoorbaat 99% van alle kunst reddeloos verloren en trouwens ook van geen enkel belang voor de toekomst. Maar duidelijk is ook dat er in een historisch perspectief weinig over zal blijven de grote mannen en vrouwen van de twintigste eeuwse kunst. De grootmeester van de niet-gespeelde zet Duchamp, de onzin per vierkante meter brakende Beuys, de monumentale druïde Mario Merz en al die andere boven de werkelijkheid verheven staatskunstenaars zullen in de toekomst enkel als vertegenwoordigers van een bizarre pauze worden besproken.
Verheug u dus al vast op de betere muziek, beter kunst, betere literatuur en architectuur die ons staat te wachten.

Epiloog II
Het is al met al geen gelukkige eeuw geweest.
Epidemieën, economische depressies, volkerenmoorden en een nog immer voortdurende honderdjarige oorlog hebben de eeuw met haast middeleeuwse allure getekend. De vooruitgang die werd geboekt was voornamelijk technisch van aard, wat een aanfluiting mag heten voor een eeuw die zich zo om het ideologische heeft bekommerd. Een voorbeeld daarvan is de AK 47 (A(nton) K(alashnikov), de uitvinder, (19)47; het jaar waarin het eerste prototype werd vervaardigd). Het repeteergeweer was technisch gezien een klein wonder. Eenvoudig en goedkoop te produceren en na een instructie van vijf seconden ("Hier zit de trekker.") door een ieder te bedienen. De AK 47 doet het overal; in de jungle, de woestijn, op de noordpool en zelfs onder water. Het wapen bij uitstek dus om de communistische-, of gelijk welke, ideologie tot in de verste uithoeken van de aarde te verspreiden. Met de vervolmaking van het middel (1947) werd evenwel bijna gelijktijdig gestopt met de ontwikkeling en formulering van het doel. In plaats van de beoogde intellectuele boeren kwam het wapen massaal in handen van verbitterde analfabeten die met slechts een à twee leuzen in hun intellectuele knapzak vervolgens de rest van de eeuw nogal wild om zich heen hebben geschoten. En à propos schieten; er werd ook op een andere wijze in deze eeuw nogal wild geschoten.

Beschouwd men vorige eeuwen dan ziet men golvende lijnen vanuit een hoog perspectief. De beelden van mensen die ons uit vorige eeuwen zijn nagelaten zijn allen geposeerd. Letterlijk en figuurlijk. Slechts heel zelden lukte het een kunstenaar (Goya, Hals, Rembrandt) om naast de pose de expressie te schetsen. Zoniet in de twintigste eeuw. Deze eeuw is opgedeeld in miljoenen fracties van seconden, de momentopname, vastgelegd op de gevoelige plaat die eigenlijk de ongevoelige plaat zou moeten heten. De twintigste eeuwse mens zal ons voornamelijk bijblijven om zijn expressie.
(De schoonheid van het toeval mag niet onopgemerkt blijven dat de eeuw die zich zo bekommerde om de eeuwigheid bij uitstek in momentopnames werd vastgelegd.)
We moeten ons afvragen hoeveel waarheid er in de momentopname zit. Een afschrikwekkende uitdrukking op iemands gezicht kan immers heel goed de fysiologische opbouw naar een innemende glimlach zijn. Waar we ons evenwel onmogelijk in kunnen vergissen is de uitwerking die zo'n momentopname op de kijker heeft. Men ziet de gruwelen die men herkent, en niet degene die ons wezensvreemd zijn. Met dit in het achterhoofd wil ik tot slot enkele woorden wijden aan een van de gruwelijkste beelden van de twintigste eeuw die ik ken.
Volgens het bijschrift is het 1942. De plaats is Ivangorod, Oekraïne. De handeling betreft een momentopname van de massamoord op Joden op die plaats en op dat moment door Duitse soldaten. Deze feitelijkheden hadden in een lange lijst van gelijkwaardige gebeurtenissen in een schoolboekje kunnen staan zonder op te vallen, gecamoufleerd door de veelheid. Eén moment uit die historische gebeurtenis is echter vastgelegd op de ongevoelige plaat en daardoor zitten we nu met een gruwelijk raadsel waar we niet omheen kunnen. We zien een moeder en kind die van achteren worden neergeschoten door een soldaat. Hoewel de vrouw weerloos is en niet meer dan twee, hooguit drie meter van de soldaat verwijdert is, houdt de soldaat het geweer aan zijn schouder en mikt hij alsof het een defensief scherpshot is. De moeder heeft haar rug naar de soldaat gekeerd en zichzelf daarmee voor het kind geplaats. Het kind dat ze wanhopig liefdevol, beschermend tot het laatste moment, in haar armen geklemd houdt.
Om hen heen niets dan leegte. Een uitgestrekte, en voor ons, de kijker uit de toekomst, doodstille Russische Taiga. Het geschreeuw, de smeekbedes en alle overige schoten zijn in de klik van de momentopname gesmoord. De vrouw lijkt wel iets te zweven boven de grond. Opgetild door de schrik van het geluid van de explosie of letterlijk door de inslag van de kogel. Het lijkt wel of de fotocamera vast heeft gezeten aan het geweer waardoor ze op exact hetzelfde moment zijn afgegaan.
Wat ons leidt tot de eerste gruwelijke vraag. Wie heeft, waarom deze foto genomen? Wat was de opbouw naar het moment dat de foto werd genomen? Was het: "Wacht even Heinz, dan maak ik er een foto van, voor later."?
Of was het een geheime opname van iemand wiens geweten opspeelde? De pose van de soldaat doet het ergste vermoeden. Dit kan bijna geen kritische opname zijn. Hij draagt zijn uniform te zeer volgens de regels. Dit is een geënsceneerde foto. Zo een die gemaakt wordt tijdens safari's. De leeuw is verdoofd en vastgebonden en krijgt dan voor de foto nog eens een nekschot toegediend. Wie was de vriend van Heinz? Hoe was hun verhouding? Hebben ze gekibbeld over wie de foto zou nemen en wie het schot zou lossen?
"De volgende keer neem ik een foto van jou, Franz, stel nou maar scherp, dat mens begint me op de zenuwen te werken."
De volgende vraag dient zich aan. Wat gebeurde er voor en na de klik van het fototoestel?
Luisterde Hienz diezelfde avond met weemoed naar een sentimentele Schlager op Radio Berlin? Werd hij drie dagen later zelf gevangen genomen door de Russen en kreeg hij na eindeloze martelingen een soortgelijk nekschot toegediend? Of overleefde hij de oorlog aan het Oostfront en was hij gedurende de volgende 41 jaar bedrijfsleider van een grote speelgoedwinkel in Osnabrück?
Maar bovenal gaan de gedachten uit naar de vrouw en naar het kind.
Waarschijnlijk voor altijd naamloos. Het is voor de slachtoffers wellicht moeilijk te verdragen dat de misdadigers in zekere zin evenzeer het slachtoffer waren van die ongelukkige eeuw van de grote experimenten. De eeuw waarin men zich in vredestijd waande wanneer het gestamp van de soldaten niet meer hoorbaar was.
Een volgende eeuw zou men op moeten dragen aan de nagedachtenis van deze vrouw, in het laatste moment onbaatzuchtig, maar ik zeg dit zonder al te veel hoop want onze toekomst ligt in de handen van twee soldaten die kibbelen over wie de foto zal nemen en wie zal schieten.

Dick Tuinder, juli 1998.


back<<<

copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries