|
DE TIJDREIZIGER Het boek "De ontmaskering van de tijd" van de Franse filmhistorici Sophie en Jean Luc le Brun deed verleden jaar in beperkte kring veel stof opwaaien. "De ontmaskering van de tijd" is een detective-achtige beschrijving van hun zoektocht naar de volkomen vergeten tijdgenoot van de Lumieres, Arthur Dauphin. Het echtpaar le Brun besluit hun boek met een oproep de geboortedatum van de filmkunst te veranderen van 28 december 1895 in 25 augustus 1896. De Nederlandse filmer Dick Tuinder maakte deze zomer een korte geensceneerde documentaire over de geschiedenis die in het boek wordt beschreven en waarin uniek, onlangs gerestaureerd filmateriaal uit de oertijd van de cinema wordt getoond. De film gaat op 31 augustus aanstaande in premiere als voorfilm bij een van de films van Les Films du Paradis. Hij schreef zelf een voorbeschouwing. DE EERSTE openbare filmvertoning van de gebroeders Lumiere in de kelders van het grand cafe aan de Boulevard des Capucines nummer 14 te Parijs op 28 december 1885 ging, naar verluidt, aan de meeste Parijzenaars voorbij. Wel was er een journalist aanwezig die, na de vertoning gezien te hebben, de volgende dag in de krant schreef: "Met deze nieuwe uitvinding is de dood niet langer het definitieve einde. De mensen die wij op het scherm gezien hebben zullen bij ons zijn, bewegend alsof ze leven, ook na hun dood." En inderdaad, Elvis Presly en Adolf Hitler zijn min of meer levende personen gebleven. En waar het onmogelijk was om de werkelijkheid ter plekke te filmen creeerde de film achteraf een beeld van de werkelijkheid. Yul Brunner was de koning van Siam, Derek Jacobi was Claudius, Marlon Brando was Zapata. De macht van de film, anders dan theater, is de mogelijke eindeloze herhaling waardoor het bewegende beeld, als een jaar in-jaar uit, klassikaal opgedreund rijtje jaartallen steeds reeeler en onvermijdelijker wordt. Na vijf kerstmissen Duitse televisie weet je niet meer beter of Romy Schneider is Sissi, keizerin van Oostenrijk-Hongarije, met de lieve zachte stem. De dood is niet langer het absolute einde. De dood was ook niet langer het absolute einde voor Arthur Dauphin. Deze zoon van een horlogmaker en tijd- en landgenoot van de gebroeders Lumiere en George Melies wilde onmiddelijk nadat hij van de eerste filmvertoning had gehoord, een cinematrographe kopen. De Lumieres weigerden hem dat, zoals ze ook Melies er geen hadden willen verkopen. Dauphin wendt zich vervolgens tot Melies die ondertussen zijn eigen filmapparaat had gemaakt en zich wel bereid tot om Dauphin aan een camera te helpen. De goedlopende zaak van zijn vader die na de dood van de laatste werd geleid door Arthurs broer Alphonse, maakte dat Arthur de tijd en de financiele vrijheid had om zich vrijblijvend te wijden aan de wetenschap. Dankzij het speurwerk van Sophie en Jean-luc Le Brun hebben we opnieuw kennis kunnen maken met het werk van Dauphin, een ten onrechte vergeten pionier van de cinema die we zonder schroom in het rijtje Lumiere, Melies, Marey en Muybridge kunnen plaatsen. Naar aanleiding van een aantal brieven uit de jaren 1895 en 1896, gericht aan Melies, kwamen de le Bruns terecht in het gemeentearchief van XXXXXX . Daar vonden ze, geheel volgens de wetten van een gemakzuchtig geschreven crimi, in de kelder een aantal filmblikken met ontwikkelde film in zeer slechte staat. De blikken waren gelabeld met het vignet van "Les Enthousistes Cinematographique Lillois", een vereniging, zo bleek bij naslag van de gemeentearchieven, in 1895 opgericht door Arthur Dauphin. De gerestaureerde films bleken, samen met de volledige correspondentie en geschriften van Dauphin die testamentair aan de gemeente Lille waren nagelaten, een ware schatkamer van informatie over de post-natale periode van de cinema. De Le Bruns spreken in hun onlangs verschenen boek "De ontmaskering van de Tijd, leven en werken van Athur Dauphin (1850-1896)" over: "Een nieuw ontdekte grafkamer in de pyramide van de filmgeschiedenis." De tijd waarin Dauphin leefde kan men zien als de voorgalm van het huidige informatietijdperk. Een eindeloze reeks van periodieken, beknopte inleidingen tot-, encyclopedieen, standaardwerken en compendia illustreerden de dadendrang en de mateloze verwondering van de negentiende eeuwse mens. Dauphin onderscheidde zich niet en las en bestudeerde alles waar hij zijn hand op kon leggen. Tot 1895 vertaalde hij die leergierigheid slechts in een, in eigen beheer uitgegeven, boekje "Over de opdeling van Tijd" waarin hij een globaal historisch perspectief schetst over het idee van tijd, door de eeuwen heen. De wetenschapper die Dauphin wilde zijn was op zoek naar het kleinste deeltje van de tijd. "Hoeveel tanden er ook op een stoomrad zitten, ze benaderen nimmer de eindeloze reeks van punten die het rad passeert tijdens haar omwenteling. Zo is het ook met de opdeling van tijd. Indien men een steen van een hoogte van 1 meter laat vallen raakt hij binnen een seconde de grond. Hij heeft zich dus voortbewogen tussen twee tikken van de klok door. Er is, naar huidige maatstaven, geen mogelijkheid om deze tijdspassering te bepalen. Indien het echter mogelijk zou zijn de tijd vast te leggen, zoals we bijvoorbeeld een gedachte kunnen opschrijven, zouden we tot een nauwkeuriger indeling van de tijd kunnen komen. De seconde is niet de atoom van de tijd. Zij is een kruimel van een groter geheel die mijns inziens weer opgebouwd moet zijn uit nog kleinere delen. De seconde die wij nu kennen als kleinste deel van de tijd is slechts een zeer arbitraire indamming van de eindeloze stroom die de tijd is." (Uit: Over de Opdeling van de Tijd, 1891) Dauphin toetste de tijd aan de werkelijkheid. Indien de weg van een vallende steen niet in tijd gemeten kon worden was de tijd niet duidelijk gedefinieerd. Hij weigerde te concluderen dat er, zoals sommigen beweerden, gaten in de tijd zaten. Het is dus niet verbazingwekkend dat hij direct gegrepen werd door de uitvinding van de Lumieres omdat hij in de film, met zijn opdeling van een seconde in 16 delen, een mogelijkheid zag het verloop van de tijd "als een gedachte op te schrijven." Na een aantal korte films, die meer experimenten met het medium zelf waren, maakt hij op 4 juni 1896 de korte film "Cinq Minutes". Een statische camera filmt 5 minuten lang een klok met traploze secondewijzer. Hoewel het hem er in eerste instantie om te doen was een Marey en Muybridge-achtig verloop van tijd vast te leggen (met dit verschil dat het Dauphin puur en alleen om het tijdsverloop en niet om de anatomie van de beweging ging) komt hij na de eerste projectie, een dag later, tot een voor hem schokkende conclusie. In een brief aan Melies schrijft hij: "(...) hier zat ik, op 5 juni 1896 te kijken naar de exact gedocumenteerde tijd van 4 juni 1896, tussen kwart voor twee en tien voor twee. Ik keek lettrelijk naar het verleden. Om het anders te zeggen: ik had een deel van de tijd bevrijdt van haar schijnbaar zinloze passeren en de mogelijkheid geschapen om haar over honderd of duizend jaar opnieuw te beleven!" Dit brengt hem er toe een hele reeks van historische schetsen te maken. Romeinen, Grieken en Galliers lopen af en aan in zijn korte films. Een hoogtepunt uit deze reeks is het curieuze en intrigerende "Bonaparte sa recontre Atilla" uit de zomer van 1896. Een korte eenakter waarin Napoleon Bonaparte, gespeeld door Dauphin zelf, de strijd aangaat met Atilla de Hun. Naast het feit dat hierin een echo is te zien van de Frans-Duitse oorlog van 1870, (met dit verschil dat nu Napoleon de Hun aan zich onderwerpt), is vooral de, uit brieven van Dauphin bekende, motivatie om twee tijden door elkaar te gooien, een fascinerende nouveaute in de geschiedenis van de filmkunst die Le Bruns er toe brengen hem "de peetvader van de virtual reality" te noemen. Er zijn een aantal redenen te bedenken dat Dauphin bijna honderd jaar lang vergeten werd. Vergeleken met Melies en de Lumieres was hij een amateur. Hij maakte zijn films puur voor zijn eigen genoegen. Hij was niet gedwongen te zoeken of zich te richten naar een publiek. Zijn plotselinge dood in de winter van 1896 bleef in de kleine wereld van de filmpioniers onopgemerkt. De uitnodiging die Melies een jaar later stuurde om films van hem te vertonen in het Theatre Robert Houdin werd nooit beantwoord. Een van de laatste opnames die Dauphin maakte behoort volgens Sophie en Jean-Luc le Brun evenwel tot een van de absolute hoogtepunten uit de eerste jaren van de cinema. In hun boek stellen zij zelfs voor de geboortedatum van de filmkunst te verplaatsen naar 25 augustus 1896. Op de voorgrond van wat er uitziet als een zondagse picknick staat Arthur Dauphin centraal in beeld voor de camera. We zien hoe hij een aantal aanwijzingen geeft aan de cameraman, dan een aantal stappen achteruit doet en langzaam en langdurig naar de lens van de camera zwaait. Deze kleine beweging krijgt verstrekkende betekenis als we er een fragment uit een brief aan Arthurs broer Alphonse, die op dat moment in het buitenland verbleef, naast leggen: "Opeens, als in een flits, realiseerde ik me dat de groet die ik bracht, op precies hetzelfde moment, hoewel misschien 10 jaar later en op een geheel andere plek op de aarde, door een groot aantal mensen zou kunnen worden gezien. De lens van de camera is niets anders dan een poort naar andere tijden." Sophie en Jean-Luc le Brun zijn er van overtuigd met de ontdekking van deze film het beeld te hebben gevonden van de eerste mens die zwaaide naar de camera. Iets dat nu een universeel gebaar is geworden, maar een negentiende eeuws equivalent was van de ontdekking van het perspectief. Nooit eerder had iemand het in zijn hoofd gehaald te zwaaien naar een paraplu, of een schep, of een stoel. Arthur Dauphin was vermoedelijk de eerste mens die zwaaide naar een levenloos object en luidde daarmee een nieuw tijdperk van perceptie in. De Le Bruns besluiten hun boek dan ook met een volzin als een klaroenstoot: "Niet alleen moeten wij Dauphin plaatsen in het rijtje van de vaders van de cinema. Evenzeer verdient hij een plaats tussen Armstrong en Columbus. Want het was ontegenzeggelijk Arthur Dauphin die als eerste realiseerde dat er achter de lens van de camera een andere wereld verscholen ging waar hij ook als eerste een voorzichtige voet aan wal heeft gezet. Het is een klein en rechtvaardig wonder dat door een toevallige ontdekking in het gemeentearchief van Lyon, de ontdekker Dauphin gered werd van de vergetelheid. Na een kleine honderd jaar zwaaien er weer mensen terug naar Athur Dauphin, de eerste tijdreiziger." Dick Tuinder, 1995. back<<< |
copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries