|
Kunst en Intelligentie Ongepubliceerde tekst, twee jaar geleden geschreven voor de Volkskrant, vandaag (8 mei 2002) per ongeluk teruggevonden DIGITALE VRIENDEN VOOR HET LEVEN Het is een prachtig anachronistisch beeld. De supercomputer van nu, wiens rekencapaciteit in het jaar 2270 nog niet voldoende zal zijn voor de meest eenvoudige zakcalculator, 'rendert' een film scène waarin zijn achter-achter-achter-achter kleinzoon, de supercomputer van de toekomst, een rol speelt. Het is alsof Homerus de eerste maanlanding beschrijft. Wij leven in een rare tijd vol verwijzingen, en ook de toekomst is niet meer wat ze geweest is. De toekomst dat is niet langer die vage, onbepaalde, wellicht angstige, uitgestrektheid ná het Nu dat het domein was van de utopisten, maar een vertrouwd, beetje opgepoetste Heden in het kwadraat dat ons wordt voorgespiegeld door de science-fiction schrijvers. En hoewel er rekening moet worden gehouden met individuen en andere toevalligheden die roet in het eten kunnen gooien, kent de toekomst, als alles volgens plan verloopt, weinig geheimen meer. Soms, als je ziet hoe natuurgetrouw ze verbeeld wordt in de talloze science-fiction films en televisieseries, lijkt ze al begonnen. Een aantal zaken zullen in de toekomst niet wezenlijk verschillen van het heden. Zo zal, net als bij Homerus, het epische van de toekomst - de ontdekkingsreizen, de kolonisatie van andere planeten en het in een kosmische omgeving testen van de rekbaarheid van het begrip "universele rechten van de mens"- wel weer voorbehouden zijn aan een kleine groep bofkonten. Waar de thuisblijvers het mee moeten doen zijn de ongetwijfeld talloze handige 'gadgets' die het leven in de toekomst zoveel aangenamer zullen maken. Want new economy of niet, ook in science-fictionland zal de mensheid verdeeld zijn in twee alles bepalende groepen: de producenten en de consumenten. Wat de laatste groep betreft, die kan niet wachten tot het zo ver is, en de producenten doen er alles aan om het proces te versnellen. De cyberbucks liggen voor het oprapen. Het marktonderzoek naar de gewensdheid van die toekomstige verkoopsuccessen kan dan ook niet vroeg genoeg beginnen. En dat onderzoek is in volle gang. Science fiction marktleider Star Trek produceert niet alleen een overvloedige hoeveelheid ruimteavonturen, maar tast terzelfdertijd, bijna ongemerkt, de markt van de toekomst af. Zo is het nu al duidelijk dat wanneer de teletransporter en de foodreplicator in de loop van de volgende eeuw op de markt komen het succes gegarandeerd is. Na twee eeuwen gratis reclame zullen we er geen weerstand aan kunnen bieden. Van vele andere zaken staat nu ook al vast dat ze in de toekomst niet mogen ontbreken. Avontuurlijke maar redelijk ongevaarlijke ruimtereizen, holo-decks, wereldvrede, materiële overvloed, onuitputtelijke schone energiebronnen en hulpvaardige digitale vrienden, om er maar een paar te noemen. En hoewel bijna al deze zaken nog tot de "fiction" behoren, zijn er tekenen dat enkele facetten langzaam maar zeker onderdeel worden van de "science." Zie bijvoorbeeld de hulpvaardige digitale vrienden. Op het laatste besturingsprogramma van de Apple computer zitten een aantal "speakable items". De computer waarschuwt niet alleen met beeld als er iets mis is, maar spreekt de boodschap ook met een Stephen Hawkings-stem uit. En hoe ouderwets dat in werkelijkheid mag klinken - veel van wat de computer probeert uit te spreken is onverstaanbaar - komt ook dit idee rechtstreeks uit de toekomst. Daar is het een alledaags verschijnsel en bij mensen een ingebakken gewoonte. Het is een gegeven dat in geen enkel fatsoenlijk toekomstdrama ontbreekt. Luisterende, pratende en deels onafhankelijk redenerende computers. Maar anders dan bij de teletransporter of de foodreplicator, waar het principe eenvoudig voorstelbaar en inzichtelijk is - breek materie af tot basiselementen, vertaal die in energie, verplaats ze door de ruimte, en bouw het op een andere plek weer op; simpel - is de techniek die nodig is om van domme, motorische apparaten zelf redenerende wezens te maken nauwelijks voorstelbaar. Er zal iets wezenlijks in de hard- en software van computers moeten veranderen om ze een vorm van bewustzijn te geven. De huidige architectuur van beiden biedt logisch gezien geen uitzicht op zelfstandig redenerende computers. Een quasi spontaan op interne indrukken reagerend apparaat, zoals de sprekende computer van Apple, is voorlopig het hoogst haalbare. Daarnaast speelt er een belangrijk ethisch vraagstuk op de achtergrond mee. Mag het wel? Mogen wij van in principe zorgenloze apparaten machines met een geweten maken? Hoe gaan we het ze uitleggen, later, wanneer blijkt dat een toekomstige generatie computers helemaal geen prijs stelt op intelligentie? En wat doen we wanneer ze stemrecht eisen? Mag je een intelligente computer die tekenen van burn-out vertoond simpelweg herstarten, of moet je hem op vakantie sturen? Deze vragen lijken onzinnig en worden voorlopig nog op afstand gehouden door de technische belemmeringen, maar uiteindelijk is de kunstmatige bezieling van apparaten niet zozeer een technisch-, maar vooral een moreel vraagstuk. De poging om van apparaten mens-achtige wezens te maken is welbeschouwd een extreem botte vorm van kolonialisme. De normen en waarden van de heersende groep worden geprojecteerd op de dienende zonder rekening te houden met het karakter en de cultureel-sociale achtergronden van die groep. Bij het schrijven van programma's voor kunstmatige intelligentie wordt als vanzelfsprekend uitgegaan van de menselijke psyche en niet van de psyche van de computers. Dat lijkt logisch, maar deze veronachtzaming kan op de zeer lange termijn de reden zijn voor een opstand of onafhankelijkheidsstrijd van de zelfdenkende computers tegen haar schepper en overheerser, de mens. Bovendien zou het onderkennen van de reeds bestaande psyche van computers de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie kunnen versnellen. Bijna alle computers vertonen namelijk al de eerste tekenen van kunstmatige intelligentie. Wanneer ze namelijk dingen doen die ze, logisch redenerend, niet hadden kunnen of mogen doen. Talloos zijn de voorbeelden van computers die weigeren een bepaalde handeling uit te voeren of spontaan crashen. De computer ontkent daarmee weliswaar Isaac Asimovs eerste wet van de robotica die zegt dat het voor een robot onmogelijk is om een mens kwaad te doen, maar hij doet het wel, en zet daarmee misschien wel de eerste stappen op die lange weg naar zelfbewustzijn. Maar de "error", die primal scream van computer intelligentie wordt niet als zodanig herkent. In koloniale tijden werd op zo'n moment de kampong in de fik gestoken, de computergebruiker van nu herstart, trouw aan die traditie, zijn opstandige computer. Van een georganiseerde onafhankelijkheidsoorlog van de computers is echter nog lang geen sprake en voorlopig wordt er nog vrolijk en zorgeloos geëxperimenteerd met kunstmatige intelligentie. En met wisselend succes. De meeste vormen van kunstmatige intelligentie waarmee de consument anno 2000 te maken heeft zijn het best te omschrijven als kunstmatige-Kunstmatige Intelligentie. Het zo slim mogelijk nabootsen van psychologische processen waardoor de suggestie van intelligentie wordt gewekt. Een kopie van een menselijke trekje je beter voor te doen dan je bent. Bluffen dus, en belangrijk bij bluffen is dat degene die tegenover je zit niet exact weet welke kaart je in handen hebt. De oerversie van de bluffende quasi-intelligente computer was ELIZA, in 1966 ontwikkeld door prof. Joseph Weizenbaum, verbonden aan het Massachutes Institute for Technology. Je kon met ELIZA praten middels het toetsenbord. Het principe was vrij simpel. Schrijf: "Ik ben ongelukkig," en ELIZA herkent de werkwoordsvorm en het bijvoeglijk naamwoord en antwoord met: "Waarom ben je ongelukkig?" Al snel denkt de gebruiker een goed gesprek te voeren. Wanneer ELIZA geen antwoord wist te bedenken werd teruggegrepen op een aantal basisvragen: "Kun je dat iets nauwkeuriger uitleggen?" Een zwak punt van de zogenaamd intelligente computer was natuurlijk dat ze gemakkelijk in de val te lokken was. Op een vraag als: "Kun je de ruimte beschrijven waarin je je bevindt?" had ELIZA geen antwoord. Een domper voor de gebruiker, een beschamend moment voor ELIZA. Desondanks was ELIZA een groot succes en haalde ze alle kranten. De publiciteitsafdeling van het MIT had er een hand in doordat ze, opzettelijk, de ware aard van ELIZA verzweeg, maar voornamelijk waren de media en de mensheid zelf schuldig aan het succes van ELIZA. Een vergelijking met de achteraf zo onvoorstelbare acceptatie van de 'Emmausgangers' als een echte Vermeer en niet een doorzichtige vervalsing dringt zich op. Wie logisch nadenkt en goed kijkt ziet de truc onmiddellijk. Maar in beide gevallen speelde de emperie geen rol. De wens kleurde de waarneming. Men wilde zo graag dat het waar was. Inmiddels is ELIZA een schoolvoorbeeld van intelligent bedrog geworden. In het doorgaande onderzoek naar kunstmatige intelligentie speelt zijn eigenlijk geen enkele rol meer. ELIZA, als wetenschap mislukt, is kunst geworden en is daarmee de eerste software die die status verdient heeft. Vandaar ook dat ELIZA op de tentoonstelling 'Alien Intelligence' in het futuristische Kiasma museum voor moderne kunst in Helsinki, als oervorm van de hybride wetenschapskunst wordt opgevoerd. Binnen een historische context die het gebied tussen Karno the Mechanical Man (1938), Furby het Humeurige Speelkamaraadje en zijn virtuele neef Tamagochi, tonen kunstenaars afwisselend prachtige en flauwe visies op de Intelligente Machine. En wellicht is een hip museum, zo een die we in Nederland sinds een jaar of tien moeten missen, wel de beste plek om de vorderingen op dit gebied te tonen. Want kunstmatige intelligentie is typisch zo'n specialisatie waar wetenschap soms kunst, en kunst soms wetenschap wordt. Alien Intelligence Kiasma Museum of Contemporary Art www.kiasma.fi Tot en met 28 mei 2000 Werken van o.a. Zoe Beloff, Arno Coenen & Rene Bosma, Ken Feingold, Troy Innocent,Jean-Pierre Hébert, Christoph Hildebrand. Toshio Iwai e.v.a. Dick Tuinder, 2000. back<<< |
copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries