WILDE AARDBEIEN van INGMAR BERGMAN

Dezelfde vriend die mij een LP van het divertimento van Bartok en de 5 Satze fur Streichorchester van Webern gaf (waardoor ik onverbiddelijk de wereld van de klassieke muziek werd ingezogen) nam me in 1981 mee naar de eerste vertoning in een Bergman cyclus in Amsterdam-Noord. Na een geheimzinnige busrit met lijn 33, onder het IJ door, liepen we op een vroege herfstavond over een betekenisloos groot en winderig plein (Amsterdam-Noord is, voor wie in het centrum woont, nog altijd eenvoudig te bereiken buitenland) naar het Cleyntheater, een wat plichtmatig in stand gehouden half gesubsidueerde erfenis van de jaren zeventig, en op een houten bank voor drie gulden vijftig en met bittere koffie voor vijftig cent hoorde ik voor het eerst die sombere zweedse litanie.
De naam Bergman kende ik vagelijk omdat mijn ouders in de aanloopperiode tot hun echtscheiding op advies van een therapeut met z'n tweeen naar Scenes uit een huwlijk hadden gekeken, en ik moet zelf ook een of twee afleveringen van de televisie serie hebben gezien die ik mateloos depressief en zinloos vond. Nog steeds vind ik Erland Josephson in deze film niet te pruimen en gaat mijn hart meer uit naar Bibi Andersson dan naar Liv Ullman waarvoor ik alleen maar kan huiveren, maar op een onprettige manier.
Begin jaren tachtig zag ik alle Bergman films die ik kon zien, en nog steeds verta ik redelijk goed Zweeds. Na De Stilte, Persona, Het Zevende Zegel en Wilde Aardbeien in het Cleyntheater te hebben gezien huurde ik van geleend geld voor drie dagen het theater af en maakte er als een kleine Bergman mijn allereerste 8mm filmpje. Zwart-wit, uiteraard. Somber, uiteraard. Handelend over de schuld en bijna onmogelijke communicatie, uiteraard. Beschamend, vanzelfsprekend. Ik wist niet waar ik het over had, ik had geen flauw benul van de betekenis van de symbolen die ik gebruikte en ik vergat een affaire te hebben met de hoofdrolspeelster: ik was geen Bergman.
Deze gelukkige en sombere periode werd afgesloten met zeven opeenvolgende visites aan de familie van Fanny en Alexander in 1984 en toen was ik kotsmisselijk van het zwaarwichtige, over-symbolische, ijdele, soms kinderachtige en vaak gedateerde oevre van de frele mysticus.
In een fictieve wedloop vond ik Tarkovski beter, want onbegrijpelijker, Fellini een opluchting want levenslustiger, Cassavetes handzamer want minder bedoeld esthetisch. Maar onlangs heb ik Bergman leren herwaarderen. Hoewel ik zijn wat potsierlijke fascinatie voor de nar, de clown, de troubadour en de schakende dood met de zeis nog steeds moeilijk te verteren vind, ben ik soms jaloers op de schaamteloosheid waarmee hij die grootheden presenteert. Iedere puber heeft zijn eigen na-oorlogse jaren waarin alles duidelijk en onveranderlijk is en waarin het geloof in zijn eigen poezie onaantastbaar lijkt. Bergman heeft dat geloof in zijn gehele oevre weten te behouden door er voortdurend heel openlijk aan te twijfelen, met alle melodramatische uitglijders vandien.
Victor Sjostrom verzucht in Wilde Aardbeien, wanneer hij een ere-doctoraat (jubel-doktor) heeft gekregen, dat ze hem, wanneer ze hem beter zouden kennen jubel-idiot zouden hebben gemaakt.
Het is de kracht van Bergman dat hij in zijn oevere heeft aangetoond dat de jubel-doktor en de jubel-idiot een en dezelfde zijn.

back<<<

copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries