Memo: 201205/01
In De Bijgedachte Graast De Geest
Nat. Instituut der Bijgedachten
Memo: 201205/01
Verslag van de 50-ste bijeenkomst van de
Rayonhoofden van het Instituut der Bijgedachten,
jaargang 2005.
Aan de voorzitter.
Het loopt tegen kerst, de Eurotop wordt algemeen omschreven als 'geslaagd' en er borrelt van allerlei vaags en ontevredens in brede lagen van de maatschappij - maar het explosiegevaar wordt tot op heden beperkt door een nogal ongeinspireerde moedheid van de eigen woede. Men is gewend dat het nieuws zich snel ververst. Elke week een nieuwe ramp. Een nieuw, alle huiselijkheid verwoestend, perspectief.
"Hoe in dit medialandschap zijn eigen woede langer dan een week of twee vers te houden?" verzucht de klankboordgroep Burgerlijke Onvrede tijdens het wekelijks overleg.
Daar komt volgens de Scheikundige Afdeling nog eens bij dat de aard van de explosieve stof uiterst moeilijk te determineren is.
"Het lijkt inderdaad wel," vult het plaatvervangend lid Mens & Mind terzake aan, "of het niet om het explosieve materiaal zelf, maar om het ontstekingsmechanisme daarachter gaat. Daar zit de kern van de woede. En dat is..." zij laat een stilte vallen en kijkt de ovalen tafel rond, "... en dat is helaas, moeten wij constateren, een existentiele woede."
(Instemmend gemompel.)
De voorzitter dooft het gemompel met een kuch en spreekt vervolgens met zachte stem, terwijl een glimlach alle woorden streelt: "Dit alles mag ons natuurlijk niet vrolijk stemmen. Maar toch. Ook het afgelopen jaar heeft weer bewezen dat dit goede tijden zijn voor de Bijdenkerij. Er is, zeg ik nog maar eens, geen hoop, enkel verwachting. En voor wie het zich veroorloven kan is er het Nu. Verder is er niets. Behalve de bijgedachte. Die de troost is van de mensen en die zich nimmer, zoals de Hoofdgedachte, tegen haar denker zelf zal keren. In de bijgedachte graast de geest. In de hoofdgedachte regeert zij over haar eigen lot."
Dan staat de voorzitter op en loopt naar het raam waar plotseling, door bijna tot op de grond doorzakkende donkergrijze wolken, een felle winterzon doorbreekt.
Buiten beweegt niets of het lijkt heel ver weg.
Iemand zet een plaat op. Het is Menuhin die in ruizige tonen een oer-uitvoering geeft aan Bartoks vioolsonates. Op hun tenen lopen de jongens van de Props & Requisieten door de lange zaal naar de grote achtermuur. Tussen hen in dragen zij iets dat lijkt op een opgerold spandoek.
Zonder enig blijk te geven van betrokkenheid met de geschrevene hangen zij het spandoek op. Twintig meter breed en 5 meter hoog. Het teerste bijna-donkerbruin, met daarop in witte letter: Kunst & Dood.
Blikken glijden van de tekst naar de rug van de voorzitter die nog steeds aan het venster staat en die heel even twijfelt aan zijn eigen postie. Dan herneemt hij zich en zegt: "Vrienden: zie hier onze eigenlijke missie."
Alle blikken nagelen zich vast aan de twee woorden op het spandoek. Men voelt het gewicht van een eindbestemming, als een ijle kustlijn die na maanden varen op open zee...
De voorzitter knikt zwijgend naar de notuliste die het grote boek plechtig sluit.
"Morgen praten we verder," zegt ze.
Dan begint het hard te hagelen.
(wordt vervolgd)
Toespraak van de Minister van Kunst & Dood
|