|
In Den Ranzige Aap EEN LIEFDESVERHAAL ![]() Het was een stille dag in Auberge in den Ranzige Aap. Een stilte die slechts verstoord werd door het spasmodische gekraak van de houten trap en het zielloze beuken van een eindeloze reeks golven op de gebeeldhouwde kust. Dodo het ranzige aapje keek rillerig en als altijd bijna - maar net niet helemaal - begrijpend naar de loodgrijze wolken die ondanks de zwaarte van hun bijvoegelijke naamwoord nooit in het dorp landden, maar er gehaast aan voorbij dreven. Het was een stille dag als alle dagen. In weerwil tot wat het cliche wil met dit soort vervallen hotels had de Ranzige Aap nooit een periode gekend waarin het etablissement wel goed had gelopen. Geen verkleurde foto's van gloriedagen met lachende stamgasten op een jaarlijks uitje aan de muur. Geen jolig boven de bar geprikte buitenlandse valuta. De enige herinnering aan een niet zozeer triomfantelijk, alswel hoopvol verleden was een bijna onleesbaar donkerbruin geworden tapvergunning uit het jaar 1612. Alleen onder een bepaald strijklicht in de namiddag waren de letters door de schaduw van de enigzins opdikkende inkt leesbaar. Toen ik mijn naam en andere gegevens in het gastenboek schreef zag ik dat ik de eerste gast sinds 1917 was. Toch overhandigde de portier mij met een gebaar dat alleen door routine geolied kon zijn de sleutel van mijn kamer. Het beddegoed was niet muf, maar integendeel fris geurend en krakerig van verse stijfsel. De meubels waren ontegenzeggelijk oud, maar goed onderhouden. De kamer zelf schoon. Boven het bed hing een wat eenzame crucifix. Tijdens het avondmaal waarbij ik als enige in de op zeker veertig man berekende eetzaal zat werd ik getroffen door de schoonheid van de serveerster. Ze was groot van postuur, ongeveer mijn lengte, maar de trekken van haar gezicht waren verfijnd en gevoelig en haar bewegingen hadden een lome elegantie. Een schoonheid die te weinig gezien was om ijdel te worden. Haar ogen straalden een weemoedige onverschilligheid uit. De aanhoudende aandacht van mijn blik, terwijl zij tussen de gangen door aan de bar in een tijdschrift bladerde, leek haar niet op te vallen of te deren. Het late zonlicht dat plotseling door de grijze wolken was heengebroken omhelsde haar contouren met een warme gloed. Ze bediende me zwijgend en het enige bewijs van haar stem kreeg ik toen ik haar door het luik dat uitkwam op de keuken zakelijk en zacht: "Tafel zestien," hoorde zeggen. Ik probeerde haar te verleiden tot een kort gesprek door het eten te prijzen toen ze kwam afruimen, maar op mijn complimenten reageerde ze slechts met een vriendelijk knikje. Ergens in het hotel rinkelde een bel waarop ze het tijdschrift neerlegde en naar boven verdween. Na de maaltijd maakte ik in de schemering een wandeling door het kleine vissersdorpje. Stevige gedrongen huisjes van massief natuursteen. Kleine ramen, soms niet breder dan een nis. Op de verharde dorpsstraat spiegelden metersbrede waterplassen de laatste heldere wolken. Een jonge hond die mij halverwege het dorp vrolijk kwispelend tegemoet kwam werd haastig door een achter een deur verscholen eigenaar teruggefloten. Door de spleten in de verweerde houten luiken ontsnapte bleek en karig TL-licht. Geluiden uit de huizen waren niet hoorbaar. De onaflatende zilte en koude aanlandse wind had de dorpsbewoners in een ver verleden reeds de lust op uitzicht ontnomen. Bij voorkeur leek men zich te verschuilen in de altijd schemerige luwte van hun stenen huizen. Hoewel ik duidelijk ontweken werd begon ik na enkele dagen toch gezichten te herkennen. Bleke, met een plichtsmatige levenslust getekende gezichten die door de zeewind met een rozige gloed waren bekleed. De kinderen keken me met stugge, verbaasde en toch ook trotse blik aan. Trots op hun dorp en de zee en de achterliggende rotsachtige hooglanden die zij de gehele wereld dachten. Hun wereld, waarvan zij ongetwijfeld alle paden, holen en opvallende rotsen kenden en een naam hadden gegeven. Een dynamische en avontuurlijke werkelijkheid die alleen in hun jeugdige waarneming besloten lag. Stug en verbaasd keken ze omdat hun vertrouwen in de kennis van die complete wereld door het zien van een vreemde werd geschaad. Onwillig te ontdekken dat er buiten die altijd natte rotswereld die zij kenden nog een andere wereld bestond. Waaruit mensen wel wisten te ontsnappen. De oudere bewoners keken zoveel mogelijk langs mij heen alsom mijn bestaan en aanwezigheid te ontkennen. Toen ik op de vierde dag van mijn verblijf in het dorp terugkwam van een wandeling langs de noordkant ving ik een flard van een gesprek op, kort voordat ik de hoek omsloeg en de vertrouwlijkheid tussen de twee vissersvrouwen verstoorde. "J. denkt dat hij voor de regering werkt," zei de ene vrouw tegen de ander. Nadat ze mijn aanwezigheid opmerkten draaiden ze zich van mij af en gingen gehaast een huis binnen. Teruglopend naar het hotel dacht ik na over de opmerking die over niemand anders dan mijzelf kon gaan. Voor het eerst sinds ik hier was aangekomen stelde ik mijzelf de vraag wat ik hier aan het doen was. Tot dit moment had ik me overgegeven aan het ritme van ontbijt, lunch en avondeten. Mij zonder plan bewegend door deze stenen luchtbel in de tijd. Gedachten aan haar die ik ontvlucht was uit mijn hoofd bannend. De wetenschap dat zij op dezelfde planeet, in de dezelfde tijd rondliep en dat ik haar uitsluitend in mijn dromen nog kon aanraken en liefhebben als vroeger, de gedachte dat een jarenlange toekomst opeens ineengeschrompeld was tot een pijnlijke herinnering had mijn zelfrespect en vertrouwen in de mogelijkheid mijn leven vorm te geven aangevreten. Gedreven door doelloosheid en walging was ik een paar dagen daarvoor, niet naar de bestemming kijkend, op een passerende bus gestapt. Het leven uitdagend. Me overgevend aan de willekeur van de gebeurtenissen. Een impuls volgend was ik in dit dorp uit de bus gestapt, na een urenlange reis zonder zichtbaar doel. Weg van mijn mislukking, mijn liefde, het zoveelste keerpunt in mijn van keerpunten al zo draaierige leven. Sinds mijn aankomst had ik geen andere streekbussen door de dorpsstraat zien gaan, zodat het onduidelijk was of- en wanneer ik hiervandaan weer zou kunnen vertrekken. Het verontruste me niet. Ik was in stille afwachting van het lot en genoot van het bittere genoegen nu even onbereikbaar te zijn voor haar als zij voor mij was. De naam die de vissersvrouw had laten vallen kon van niemand anders zijn dan mijn zwijgzame serveerster. Onwillekeurig moest ik glimlachen en vervloekte de achter de wolken verscholen sterren die haar dezelfde voorletter hadden gegeven als mijn voormalige levensdoel, mijn alles, de kiem van mijn tijdelijke waanzin en machteloze woede. Maar hoewel ik vastbesloten was geweest de beker geheel te ledigen en het lot dat met de willekeur van rukwinden de mensen voortbewoog te omhelzen en haar oordeel af te wachten, merkte ik dat een stille passie voor de serveerster geleidelijk bezit nam van mijn gedachten en dromen. Werkelijkheden, gezichten en bewegingen van de twee vrouwen vloeiden steeds vaker samen. Soms opereerden ze als samenspannende wraakgodinnen in een nachtmerrie. De andere keer vleiden zij zich in een zoete droom gezamenlijk tegen mij aan. Ik begon uit te zien naar de momenten waarop ik met reden de aanwezigheid van J., de andere J. kon opzoeken en mijn droombeelden en herinneringen heel even kon verjagen. Omdat ze bleef volharden in haar zwijgen en ik niets van haar wist probeerde ik als een archeoloog haar geschiedenis en diepste wezen af te lezen uit de oppervlakte van haar verschijning. Ik begon haar bewegingen te bestuderen en onder woorden te brengen. Hoewel ik wist dat ik mijzelf daarmee opnieuw in een web van emoties, verwachtingen en teleurstellingen zou laten vangen kon ik niet anders dan toegeven aan die impuls. Gehoor gevend, zo verbeeldde ik mij, aan de taak die het lot mij had toebedeeld. En met iedere notitie die ik over haar maakte groeide in mijn hoofd het belang van haar verschijning. Ik noteerde hoe ze, zacht met haar hoofd wiegend, naar de zonsondergang keek. Hoe ze bij het lezen van een tijdschrift haar ogen samenzweerderig samenkneep. Hoe ze, voor ze naar mijn tafel liep, altijd even een korte blik in de spiegel wierp. Ik schreef korte zinnen als: "Ze beweegt tijgerachtig sloom alsof ze zich klaarmaakt voor een grote sprong." "Ze kijkt vriendelijk naar me, maar lijkt me niet te zien." "In een droom zag ik haar wegrennen, met losse wapperende haren, de rotsachtige heuvels op. Weg! Weg van hier! Maar steeds weer werd ze teruggeworpen." Ik zag dat zij af en toe vluchtige blikken wierp op wat ik schreef. te kort om iets te kunnen lezen. Haar glimlach werd iets vertrouwder, maar bleef afstandelijk. Ik beraamde plannen om met haar alleen te zijn. Haar te spreken en het waarheidsgehalte van mijn romantische empathie te toetsen aan de werkelijkheid. Maar steeds weer ging die bel en verdween zij voor de rest van de avond naar boven. Ik zag haar nooit in het dorp. Haar bestaan leek verweven met het interieur van het hotel. De enige vorm van contact dat ik haar zag maken was op ochtenden waarop ze de kooi van het aapje schoonmaakte en het dier op haar schouder plaatste en met haar haar liet spelen. Een week ging voorbij en mijn verlangen haar te leren kennen was bijna onbeheersbaar geworden. Maar haar discretie en zwijgzaamheid hadden mij aangestoken zodat ik alleen nog maar als verlamd haar bediening kon ondergaan en inmiddels volstond met op dezelfde manier vriendelijk, maar afstandelijk te glimlachen. Na het eten op die zevende avond las ik een krant en dronk koffie. Ik las berichten over een buitenwereld, probeerde er iets van te begrijpen, maar niets leek zich te verhouden tot de werkelijkheid van dit dorp. Nadat ik mijn koffie had gedronken legde ik de krant op tafel waarbij ik het notitieboekje bedekte en verliet direct daarna het hotel voor een lange wandeling. 's Avonds laat werd er op de deur van mijn hotelkamer geklopt. Na een korte geladen stilte waarin we elkaar recht aankeken overhandigde ze het notitieboekje. "U had dit laten liggen, en ik dacht dat u het misschien nog nodig zou hebben." Ik wilde zeggen dat ik wist dat ik het had laten liggen. Dat ik had gewild dat zij het zou vinden. Maar ik was onmachtig te spreken. Nu we voor het eerst tegenover elkaar stonden voelde ik een diep verlangen mijn handen op haar heupen te leggen en haar tegen mij aan te duwen. Haar voor altijd te beminnen en nooit, nooit een woord te spreken. Woorden die mijn andere liefde zozeer hadden vergiftigd, waardoor ik droomde van een liefde die geen woorden nodig had. De blik in haar ogen wilde niet onthullen of ze de inhoud van het notitieboekje gelezen had. Of ze begrepen had dat het over haar ging. Nadat ik haar had bedankt knikte ze, draaide zich om en liep langzaam, haar voetstappen in gedachten tellend, van de deur weg. Alleen in mijn kamer bladerde ik het boekje door, op zoek naar een teken. Een koffievlekje, een haar, een zweterig deukje in het papier waar haar vinger had gerust - maar ik vond niets. Haar discretie spiegelde zich aan haar zwijgzaamheid. Ik probeerde te lachen om mijn eigen poging de gang der dingen te sturen. Liep naar de spiegel en trok vreemde grimassen. Keek zolang in mijn eigen ogen tot ik mezelf niet meer herkende. De enige tevredenheid die ik voelde was toen ik zag dat ik magerder was geworden. Alsof met het lichaamsgewicht ook iets van de herinnering aan het verleden dat ik probeerde te ontvluchten minder was geworden. Ik dronk een glas water en keek uit het raam. Het maanlicht was ook deze nacht niet bij machte zich door het donkere wolkendek te boren. De zee was hoorbaar, maar liet zich niet zien. Alleen de lantaarnpaal bij de bushalte op het dorpsplein verspreidde een zwak licht. Nooit eerder in mijn leven was ik dichter bij nergens geweest. Nooit eerder in mijn leven was ik minder iemand geweest dan nu. Een vreemde waarin niemand interesse toonde. Ik ging op bed liggen en luisterde naar de stilte van het hotel. Voor het eerst sinds mijn aankomst in het dorp was het die nacht bijna windstil. Maar in mijn hoofd raasde de storm door, in beweging gezet door een plotseling weggevallen tegendruk. Ik probeerde te slapen maar kon niet ontsnappen aan een halfwakende roes. Trage uren draalden in mijn kamer. Van de wasbak naar het raam en terug. Af en toe stilstaand, zoekend naar een opening waardoor ze konden ontsnappen. Maar die was er niet. De tijd moest langzaam verdampen, opgaan in zichzelf. Ik ontwaakte toen ik haar lichaam naast mij voelde. Nog half dromend van mijn liefste die in een andere wereld woonde opende ik mijn ogen en keek naar haar profiel. Ze hield haar ogen gesloten. Ik wilde nog niet uit mijn droom ontsnappen waarin ik in een zoete omhelzing had gelegen en waarin de tijd niet had bestaan. Ze lag naast me alsof ze niet anders gewend was. Heel even vermoedde ik dat ze sliep. Maar toen ik haar wang streelde draaide ze zich plotseling om en sloeg haar armen om me heen. Haar lichaam en omhelzing voelden vertrouwd als een oude geliefde en mij ontsnapte het woord "liefje" dat ik nooit meer uitgesproken had tegen iemand sinds ze mij verlaten had. We zoenden elkaar hartstochtelijk en zij duwde haar onderjurk naar boven en haar naakte huid tegen de mijne. We hadden geen tekst en bedreven zwijgend de liefde. Beiden vorm gevend aan onze eigen verlangens, onze eigen herinneringen. Onze ogen aan elkaar geklonken probeerden we de diepte van de ander en van onszelf te peilen. Ik zocht in haar ogen naar de ogen van mijn liefste, zoals ook zij in mijn ogen naar iets of iemand anders leek te zoeken. Beiden pleegden we verraad. Beiden probeerden we troost en herkenning te vinden. Beiden waren we roekeloos en onbevangen. Ik kon niet ophouden haar te zoenen in een poging de werkelijkheid te betoveren en haar te laten veranderen in een ander. Zij klauwde haar nagels in mijn rug en een wanhoopskreet ontsnapte haar. Ik wist dat daarin niet mijn beeld, mijn naam of mijn wezen verborgen ging, maar iets of iemand waarvan ik nooit het geheim zou kunnen kennen. Toen onze zoektocht tot een einde was gekomen gingen we iets van elkaar afliggen, haar hand op mijn gezicht, mijn hand op het hare. We glimlachten droevig naar elkaar. Er waren geen woorden om te zeggen wat we misschien hadden moeten zeggen. Geen tijd om het allemaal te vertellen. We lazen de laatste regels van het verhaal in elkaars ogen en sloten toen het boek. Bij het ontwaken de volgende ochtend merkte ik dat zij mijn kamer had verlaten. Ik keek naar buiten en zag voor het eerst tijdens een ochtend hier de zon opkomen. De schaduwen kropen langzaam uit hun holen waar ze mij in de nacht gevangen hadden gehouden in kronkelende dromen over haar die als een tweede hart uit mijn lichaam was gerukt en een gapende hongerige leegte had achtergelaten. In de droom van die nacht was zij in slaap gevallen op een bank. In een huis waar we ooit gewoond hadden. Ik ging voor haar zitten en keek naar haar gezicht. Het vlinderachtig tere van haar oogleden, waarachter alles wat ik ooit van belang had gevonden of waaraan ik in de toekomst enige waarde zou hechten verborgen ging. Alleen door haar ogen werd ik waarlijk gezien. Alleen wanneer ik mezelf weerspiegeld zag in haar ogen kon ik echt bestaan. Met een pijnlijke schok herinnerde ik me plotseling de geur van haar adem. Ik zoende haar en als altijd, ooit, beantwoordde ze slaperig mijn kussen totdat zij wakker schrok, mij zag, en zich met afgrijzen en woede van mij wegdraaide. Niet meer waargenomen door haar blik verdampte ik. Slechts als een geestverschijning kon ik nog naar haar kijken. Zien hoe ze boos en verdrietig opstond en van mij wegliep. Ik keek in de spiegel en zag niemand staan. Kon mijzelf niet meer zien. Ik pakte de weinige spullen die ik bij me had bij elkaar en verbrandde mijn notitieboekje. Ik wilde mijn ijdele en gevaarlijke pogingen de werkelijkheid te betoveren niet met mij meedragen. Ik liet geld voor de overnachtingen achter op het kleine tafeltje naast het bed en verliet het hotel. Ik wandelde de dopsstraat uit, voor het eerst tevreden met de wijze waarop de bewoners van het dorp mij niet zagen. Langs mij heenkeken. Ik was een geest geworden en op zoek naar mijn lichaam dat ergens ver voor mij uit op mij wachtte. Dick Tuinder, 050203 back<<< |
copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries