TE VEEL NIETS


TE VEEL NIETS



Frederic was een keurige hond, maar ook een keurige hond heeft wel eens hoge nood.
"Ach ach ach wat een toestand," dacht Frederic terwijl hij naar de verdiepingenaanduider van de lift keek.
In plaats van naar beneden ging de lift eerst naar boven. Op de tiende etage stapte de oude vrouw met de rollator tergend langzaam uit, waarbij ze op een haar na onthoofd werd door de happende schuifdeuren. Het duurde allemaal heel erg lang, en nog langer in de beleving van een keurige hond met hoge nood.

De herfst was zijn seizoen. Wind en regen in het gezicht, natte haren en geuren die hem deden dromen van veelkleurige pluche ballen die bijna geluidsloos door een zacht verlichte ruimte stuiterden.
De lente wist hem elk jaar weer onaangenaam te verassen met haar opdringerige uitgelatenheid. Het liefst bleef hij in dat jaargetijde de gehele dag binnen want tijdens geen enkel ander seizoen voelde hij zich zozeer vervreemd van wat men 'de natuur' noemde.
De nauwelijks minder irritante zomermaanden had hij nu al zes edities op rij het hoofd geboden met een vroeg ouwelijke gelatenheid. Alsof niets hem meer kon verrassen en hij alles in feite in herhaling zag.
De herfst was zijn seizoen, maar misschien wel het meest dierbaar waren hem de saaie en behaaglijke middagen van traag licht in de winter die hij vulde met het bedenken van musicalliedjes en hun bijpassende mis en scene en choreografie.

Maar dit was een reeds warme zomerochtend en de dagen van denkbeeldige zang en dans leken een hondenleven van hem verwijderd.
"Het zal me toch niet overkomen," dacht Frederic. Maar toen de lift, eindelijk in haar bevrijdende vrije val naar beneden, op de achtste etage weer langdurig stilhield voel hij de druk tot een bijna onhoudbaar niveau stijgen. Zacht begon hij een van zijn laatste winterliedjes te neurien, iets dat in de oren van mensen klonk als zacht en zenuwachtige gepiep.

Vanaf de zesde verdieping zoefde de lift in een keer door naar beneden. Een hond alleen in de lift, hij had het al vaker gedaan. Zo vaak. Maar waarom nu? Waarom heb ik niet gewoon de trap genomen?
"Omdat ik een nufterige Dandy ben die zich uit pure zelfhaat is gaan identificeren met zijn onderdrukker en in alles op haar wil lijken," antwoordde hij zichzelf met een zucht. Om dezelfde reden wendde hij voor andere honden niet waar te nemen, en 'geweldig rustig' te worden van Chopin, terwijl de weeige klanken van de Poolse poezenvriend, waarnaar hij Godbetert zelfs was vernoemd, zijn zenuwen juist tot aan de uiterste grenzen tergden. Rustig werd hij slechts van de opwindende hakkerige ritmes van twintiger jaren Vaudeville muziek, die alleen gedraait werd wanneer "Kees", een zwaar besnorde bejaarde verzamelaar op bezoek kwam en het laat werd.
Om gelijke redenen van zelfhaat, aangevuld met onmacht om met haar medemens te communiceren, veereenzelvigde zijn bazin zich juist weer met hem. Zozeer zelfs dat ze, elke avond als ze hem de bak met Frolic presenteerde 'voor de gezelligheid' ook een hapje van de verleidelijke ronde schijfjes nam.
Het leven was, alles bij elkaar opgeteld, soms best ingewikkeld.
Het bevrijdende zuigen van de zwaartekracht - een gevoel dat hem normaal niet onaangenaam was, en waarover hij altijd nog van plan was eens een liedje te schrijven - kwam hem nu als een kwelling voor omdat hij wist dat de algemeen verslappende werking die van een vallende beweging uitgaat, ook zou meehelpen de laaste weerstand van zijn sluitspieren te slechtten.
Tussen de vijfde en de derde verdieping moest hij zijn meerdere bekennen aan de druk van binnenuit. Een moment dat, wanneer men de afscheiding kan begeleiden en sturen door actieve persing, een gevoel van geluk en triomf teweeg kan brengen, maar dat, wanneer men er door overvallen wordt, en de uitwerpselen zich - uit vrije wil zo lijkt het - door de machteloze lichaamsholte heen ter aarde storten, juist vaak een gevoel van diepe eenzaamheid en algemeen falen bij het slachtoffer wakker maakt.
Zo ook bij Frederic, die keurige hond bij wie de hoge nood, binnen enkele geruisloos voorbij schietende verdiepingen, in geestelijke nood was veranderd. Heel even trof hem nog de schoonheid van de gelijkelijke beweging van drol en lift, maar direct daarop beet zijn verbeelding zich vast in de gruwlijke werkelijkheid waarbinnen hij onverbiddelijk richting de begane grond ging.
"Niemand heeft gezien dat ik het heb gedaan," dacht hij. Maar wie zou niet de enig logische conclusie trekken wanneer men een hond uit de lift ziet stappen waarin, rechts achterin, een zeer grote verse drol ligt te dampen?
Hij draaide zich zenuwachtig om en keek met een gevoel van haat en hulpeloosheid naar dat wat zoeven nog deel van hem had uitgemaakt.

Zijn gedachten schoten voorbij de grenzen van zijn verstand en voor hij een begrijpelijke samenvatting van de situatie en haar mogelijke gevolgen had kunnen maken, openden de liftdeuren zich met een zucht en liep hij, zonder nog eenmaal om te kijken, en met een zwaar gemoed, richting het plotseling zeer eendimensionale groen. "Ontkenning van het gebeurde is vooralnog de beste strategie," besloot hij, en kwispelde laf naar de portier die de drol nog niet had opgemerkt en zoals altijd de buitendeur voor hem open hield.

Vanuit het parkje tegenover de ingang van de torenflat hield hij zo terloops mogelijk de bewegingen van de portier in de gaten. Spoedig zou een van de bewoners van de serviceflat hem wijzen op de oorzaak van de stank in de lift, en dan zou de laatste, die, dat wist Frederic, beslist geen domme jongen was, en tussen het openen van de deuren door studeerde, zijn blik zoekend naar buiten werpen. Zoekend naar hem. Op golven van paniek acteerde hij overdreven het begraven van niet bestaande uitwerpselen onder dikke kluiten aarde en gras. O, de schande!
"Misschien is dit het moment om mijn leven een andere wending te geven," dacht hij. De gedachte weg te lopen van het belachelijke mens dat zijn bazin eigenlijk was en een nieuwe wereld vol onbekende geuren te verkennen, speelde elke herfst weer door zijn hoofd. Maar zou hij de spanning van zo'n nieuwe werkelijkheid aankunnen? Gelukkig beschikte hij over net genoeg zelfkennis om er met redenen aan te twijfelen en de mogelijkheid van een vlucht te verwerpen. Nog een mogelijkheid was een ongeluk te forceren. Niemand zou meer beginnen over die drol wanneer hij hinkend met een gebroken poot aan zou komen lopen. Hij keek om zich heen. De serviceflat lag in een stille wijk met veel verkeersdrempels en door bestuurlijke ouderdom sowieso ernstig vertraagd verkeer. Hij zou zichzelf rennend op de tuffende Seats moeten werpen in de hoop een lichte kneuzing te forceren. Dat zou niet alleen een gekke indruk maken, het moest ook erkennen dat het hem daarvoor simpelweg aan wilskracht ontbrak. "Ja, dit soort zaken bedenk je niet," mompelde hij en om de toestand nog erger te maken doorzag hij in een oogopslag de zwakheid van zijn gekunstelde liedjes. Persoonlijk aangeraakt door de rauwe werkelijkheid van het leven en zelf slachtoffer van de schrille wendingen die het lot van een dier met goede bedoelingen zonder vooraankondiging kan nemen, liet de poezie hem in de steek.
Nergens was die trouweloze wufte fluisteraar nu te vinden. "De werkelijkheid, de echte werkelijkheid," dacht Frederic, terwijl hij zijn neus zonder iets te ruiken door het gras liet gaan, "bedient zich van keihard ongepolijst proza." Het soort taal kortom waarvan hij niet hield, en waardoor hij nu zonder woorden stond.
Hij keek omhoog, naar de bovenste verdieping van de Torenflat, ter hoogte van de liftschacht. Iets zei hem dat de lift zich daar nu bevond. Maar genieten van de fonkelende ironie dat zijn uitwerpselen zich twaalf verdiepingen boven zijn hoofd zweefden kon hij niet. Toevallig passeerde hij op dat moment een verbleekte en quasi versteende hoop die hij met enige verbazing als zijn eigen herkende, maar uit een geheel andere, in retrospectief compleet zorgeloze tijd. Een leven dat werd geregeerd door ritmes en seizoenen. Er zat misschien weinig melodie in, maar een cadans had het wel. En nu? Schrille tonen van een losgeslagen blazersgroep die elk contact met de eveneens over het muziekblad dolende ritmesectie leek te hebben verloren. Entropie. Kakafonie. Hoewel de zon fel scheen was het alsof er een grauwsluier over de dingen hing. Een sluier dat zich meer nog over zijn neus, dan over zijn ogen vlijde. Zijn eigen uitwerpselenen van een paar weken geleden waren bijna geurloos. Dat was normaal. Maar ook het verse spoor van het teefje van driehoog bereikte hem slechts als een echo van lang geleden, en dat stemde hem zorgelijk en misplaatst.
Plotseling zeer vermoeid keek hij om zich heen. In de stille buitenwijk waar de serviceflat bescheiden bovenuit torende zag hij geen enkel teken van leven. De wind was gaan liggen en er gleed een klein wolkje voor de zon.
Versuft door een scala van emoties dat nooit tevoren aanspraak had gemaakt op zijn begrip stak hij de grote weg over. In zijn hoofd tetteerde en gierde de muziek. Toen die was weggestorven restte er niets dan kale stilte. Het orkest was voor een lege zaal uit z'n dak gegaan.
"Ach wat een gruwlijkheid," dacht Frederic. En het gruwlijkste was nog wel dat hij vooralsnog de enige was die weet had van zijn leed. "Eenzaam verdriet, zonder dat iemand het weet, dat is vaak toch het ergste," mompelde hij alvorens hij een halve meter de diepte inschoot tussen het riet. Snel krabbelde hij weer op de wal en schudde zijn vacht.
Eensklaps was hij weer helder en bij zinnen.
Fuck zeg. Was hij bijna in die stinkende sloot gekukelt!

Met droeve ogen staarde hij naar het zware water van de wetering. Af en toe knapte er een belletje aan het oppervlak. Een enkele keer zo dicht bij de kant dat een weeige putlucht met een vleugje rottende vis zijn neus kon begroeten. Hij herinnerde zich dat hij als jonge pup naar de belletjes had geblaft. Ze hadden hem half krankzinnig gemaakt met hun ongrijpbare ritme en positionering. Nu lachte hij inwendig om die jeugdige verwarring omdat hij wist dat er op de bodem van de wetering, pal onder het slijk, een reusachtig zacht en donker wezen huisde.
Een wezen dat, zo zag hij nu aan de doffe glinstering ongeveer een halve meter onder het oppervlak, zelfs een rolstoel niet afsloeg wanneer die hem onverwacht geserveerd werd. Aan het oranje vaantje dat nog net boven het water uitstak herkende hij de rolstoel als die van een redelijk nieuwe bewoonster van de serviceflat. De vrouw die bij de rolstoel hoorde ging meestal gekleed in een zacht roze trainingspak. Hij had haar die ochtend nog vanaf het balkon de voortuin in zien rijden. "Even een frisse neus halen!" Ja, ja.
Hij schudde zijn hoofd.
Zoals de drol hem ontsnapt was, zo was zij het leven ontvreemd.
Bizarre samenloop, dacht hij.
Wrede poezie, dacht hij. En vooral zinloos.
Te veel stilte om nog muziek te kunnen noemen.
Te veel witregels om een poetisch ritme te kunnen dragen.
Te veel wit.
Te veel niets.
In een flits overzag hij alles. Heden, verleden en toekomst. En hij zag geen verschil. Het maakte niet uit. Wat hij ook deed. Het zachte zwarte wezen onder het wateroppervlak zou er altijd zijn. Bijvoorbeeld.
Met een roekeloosheid die voornamelijk gevoed werd door dit soort nihilistische gedachtes schudde hij zijn eigen kleine zorgen van zich af.
"Fuck'm! Ik neem gewoon de brandtrap."

En met een hart, jeugdiger dan ooit, sprintte hij de schaduw van de serviceflat tegemoet.



may 2007